Effectief omgaan met verschillen in de les
In deze blog schrijft Marcel Schmeier hoe je in de klas kunt omgaan met verschillen tussen leerlingen
verschillen; leerlingen; edi
16475
post-template-default,single,single-post,postid-16475,single-format-standard,bridge-core-3.0,qodef-qi--no-touch,qi-addons-for-elementor-1.5,qode-page-transition-enabled,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-child-theme-ver-1.0.0,qode-theme-ver-28.4,qode-theme-bridge,qode_header_in_grid,wpb-js-composer js-comp-ver-6.7.0,vc_responsive,elementor-default,elementor-kit-16545
 

Effectief omgaan met verschillen in de les

Het lesmodel van Expliciete Directe Instructie (EDI) wordt op steeds meer scholen gebruikt om het didactisch handelen te versterken. Volgens de Onderwijsinspectie (2020) en het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (2019) is het directe instructiemodel bovendien een doeltreffende werkwijze om het omgaan met verschillen te organiseren in de les.

Hoge verwachtingen van alle leerlingen

Leerkrachten die het EDI-lesmodel gebruiken, geven klassikale instructie op een hoog niveau. Door het geven van instructie aan de hele groep, raakt de instructietijd niet versnipperd. Je kunt eenvoudig extra tijd realiseren als het leren moeizaam gaat of leerlingen eerder aan het werk zetten als ze je uitleg moeiteloos oppikken. 

Scholen met hoge leerresultaten kenmerken zich door lessen die erop gericht zijn om álle leerlingen het doel van de les te laten behalen (Onderwijsinspectie, 2020). Het lesdoel wordt niet verlaagd voor leerlingen die moeite hebben met leren. Ook krijgen ze geen andere of makkelijke leerstof. 

In plaats daarvan krijgen ze extra ondersteuning en dus extra aanmoediging en geloof in eigen kunnen, zodat ook zij het lesdoel behalen en deel blijven uitmaken van de groep. De school als ontmoetingsplaats en als minisamenleving vraagt om het zo lang mogelijk bij elkaar houden van leerlingen en het minder denken in niveaus (Denessen, 2017).

Door tijdens de les te kijken wie er meer of minder uitleg nodig hebben, bepaal je de mate van ondersteuning die kinderen nodig hebben. Dit doe je door veel vragen te stellen en willekeurige beurten te geven. Ook kun je wisbordjes laten opsteken. Het controleren van begrip is een belangrijke techniek in het EDI-lesmodel.

Willekeurige beurten en wisbordjes zorgen ervoor dat alle kinderen evenveel kans hebben om te mogen antwoorden. Zo voorkom je dat je eigen vooroordelen een rol spelen en bepaalde kinderen vaker de beurt krijgen. Door onbewuste vooroordelen van de leerkracht kunnen kinderen zich sneller of juist langzamer ontwikkelen (Rubie-Davies, 2019). De kracht van hoge verwachtingen speelt sterk in het klaslokaal.

Als een leerling de beurt krijgt om te antwoorden, dan help je deze om tot een juist antwoord te komen. Als dit moeizaam gaat, dan bied je extra ondersteuning door aanwijzingen te geven of bepaalde stappen voor te zeggen, waarna de leerling de volgende stappen zelf verwoordt. Het bieden van symbolische steigers – ondersteuning voor het leren op maat van de leerling, in het Engels soms scaffolding genoemd, is een effectieve techniek om hoge verwachtingen concreet vorm te geven.

Neem de tijd en geef de beurt niet te snel door aan een andere leerling. Laat eventueel de rest van de klas een ander voorbeeld uitwerken. Kinderen van wie leerkrachten lage verwachtingen hebben, krijgen vaak minder goede feedback (Rosenthal & Jacobsen, 1968), terwijl ze juist betere feedback nodig hebben om ook het lesdoel te kunnen behalen.

Als je besluit om de beurt wél door te geven, dan keer je daarna weer terug bij de leerling die het niet wist en laat de oplossingsprocedure opnieuw verwoorden. Hiermee geef je deze leerling extra leertijd, verlaag je niet je verwachtingen en controleer je eenvoudig of het nu wel is begrepen.

Leerkrachten met hoge verwachtingen:

  • onderwijzen het lesdoel aan alle leerlingen;
  • stemmen de leertijd af op het leren van de kinderen;
  • controleren begrip tijdens de les;
  • geven willekeurige beurten;
  • geven ijzersterke feedback.

Leerlingen verschillen van elkaar wat betreft de moeite en inspanning die het hen kost om iets te leren. Voor sommige kinderen gaat het leren moeizaam, terwijl het voor andere moeiteloos verloopt. Ik bespreek hieronder hoe je daar op een effectieve wijze mee omgaat in je les.

Kinderen die moeizaam leren

Een van de beste manieren van omgaan met verschillen is om de leertijd uit te breiden voor leerlingen die moeite hebben om het lesdoel te behalen (NRO, 2019). Dit doe je door voorafgaand aan de les alvast de leerstof uit te leggen aan een kleine groep leerlingen (vooronderwijzen of pre-teaching) of na afloop van je instructie nog enkele voorbeelden te behandelen met de kinderen die het nog moeilijk vinden (dooronderwijzen of verlengde instructie).

Figuur 1 Het uitbreiden van de leertijd met voor- en dooronderwijzen (Illustratie: Ruud Bijman)

Begin het voor- en dooronderwijzen altijd met een heldere uitleg aan de hand van een voorbeeld dat je uitwerkt op papier. Laat de kinderen meeschrijven en het voorbeeld daarna aan elkaar uitleggen en verwoorden. Dit spreekt de hogere denkprocessen aan en getuigt van hoge verwachtingen. 

Maak de leerlingen niet van jou afhankelijk door alles voor te doen, maar geef ze tijdens het uitwerken van de verschillende voorbeelden steeds weer de kans om deze met elkaar of zelfstandig uit te werken. Leerkrachten met hoge verwachtingen helpen hun leerlingen het uiteindelijk ook zelf te kunnen.

Vooral het vooronderwijzen is een effectieve vorm van leertijduitbreiding. Voorafgaand aan de les, bijvoorbeeld tijdens de eerste tien minuten van de schooldag, geef je de kinderen die moeite hebben met leren alvast een korte en krachtige uitleg over het lesdoel dat je in de les gaat behandelen. 

Doordat ze meer voorkennis hebben, leren ze meer tijdens de les en is ook de betrokkenheid en motivatie hoger (NRO, 2019). Voorkennis is als klittenband, hoe meer je ervan bezit, hoe meer je oppikt tijdens de les. Het is voor sommige kinderen een fantastische ervaring om de les te starten met meer voorkennis dan ze normaal gesproken hebben. 

Tijdens de klassikale les kijk en luister je goed naar alle leerlingen om te bepalen wie het nog moeilijk vinden en dus in aanmerking komen voor het dooronderwijzen in een kleine groep. Willekeurige beurten en wisbordjes zijn hierbij cruciaal. Hanteer geen vaste indeling, maar stel het groepje telkens objectief samen op basis van de mate van beheersing van het lesdoel.

Een leerling die meestal hoog scoort op de toetsen, kan vandaag moeite hebben met het specifieke lesdoel. Aarzel dan niet om deze leerling, ondanks zijn goede toetsscores, te laten aanschuiven bij het dooronderwijzen. Een leerling die daarentegen doorgaans moeite heeft met leren, begrijpt het misschien vandaag prima en kan dus gewoon zelfstandig de leerstof gaan verwerken in het boek of schrift.

Laat ook regelmatig een leerling deelnemen die én goed scoort op de toetsen én tijdens de les laat zien het lesdoel prima te beheersen. Deze leerling deelt zijn kennis door een voorbeeld uit te werken en uit te leggen aan zijn klasgenoten. Hierdoor leren kinderen elkaar te helpen en ervaren ze dat ze van elkaar kunnen leren. Samenwerkend leren heeft een positief effect op het leren (NRO, 2019).

De samenstelling van het groepje kinderen wisselt per les en bestaat nooit enkel en alleen uit kinderen die het lesdoel niet beheersen. Hierdoor wordt het dooronderwijzen een krachtig moment waarop in gezamenlijkheid naar beheersing van het lesdoel wordt gewerkt. Wees je ervan bewust dat de kinderen die deelnemen aan het dooronderwijzen een deel van de zelfstandige verwerking missen. Laat ze de verwerkingsopdrachten alsnog maken op een later moment tijdens de schooldag. Ze hebben deze inoefening hard nodig.

Kinderen die moeizaam leren:

  • geef je extra leertijd door voor- en dooronderwijzen;
  • trekken zich op aan moeiteloos lerende klasgenoten;
  • behalen ook het lesdoel.

Kinderen die moeiteloos leren

Als kinderen met gemak de leerstof oppikken, dan hebben ze tijdens de klassikale instructie minder uitleg en voorbeelden nodig dan hun klasgenoten. Vermoei deze kinderen niet met instructie over zaken die ze al beheersen. In het EDI-lesmodel verkort je de instructietijd eenvoudig door bepaalde kinderen eerder zelfstandig aan het werk te zetten, terwijl je met de rest van de klas nog enkele voorbeelden uitwerkt.

Maar ook tijdens de klassikale uitleg kun je al rekening houden met kinderen die moeiteloos leren. Stel vragen die hen uitdagen tot dieper nadenken over het lesdoel. Noteer deze vragen tijdens je lesvoorbereiding op een aantal post-its en reik deze tijdens de les uit. 

Terwijl je met de rest van de klas nog een voorbeeld uitwerkt, gaan enkele kinderen aan de slag met de verdiepende vraag. Bespreek een paar vragen klassikaal na, zodat alle kinderen profiteren van deze extra uitdaging.

Als kinderen moeiteloos leren, dan ervaren ze nooit dat leren inspanning kost. Leren moet immers moeite kosten. Geef ze daarom regelmatig instructie over zaken die ze nog niet beheersen (Van Gerven, 2020). 

Zorg ervoor dat álle kinderen toegang hebben tot deze extra uitdagende instructie en niet alleen de kinderen die hoog scoren op de toetsen. Leerkrachten met hoge verwachtingen maken geen vaste groepen in hun klas en geven alle kinderen de keuze om deel te nemen aan de uitdagende instructie of om moeilijke vragen en opdrachten te maken (Rubie-Davies, 2019). 

Let op dat de instructie, vragen en opdrachten voor de kinderen die moeiteloos leren verband houden met het lesdoel dat je voor de rest van de klas hebt geformuleerd. Op deze wijze behoud je de gezamenlijkheid in je klas en is het eenvoudiger om ook andere kinderen te betrekken bij de extra uitdaging.

Kinderen die moeiteloos leren:

  • mogen eerder zelfstandig verder werken;
  • krijgen vragen die uitdagen tot dieper nadenken;
  • krijgen instructie en opdrachten die inspanning kosten;
  • zijn geen vaststaande groep.

Tot slot

Het effectief omgaan met verschillen gaat niet over het lesgeven op zoveel mogelijk niveaus of over het personaliseren van leerprocessen. Het gaat erom dat alle kinderen de lesdoelen behalen en daarmee gelijke kansen hebben wat betreft vervolgopleiding. 

Er zitten bovendien organisatorische en ethische grenzen aan het tegemoet komen aan verschillen tussen kinderen. Hoe meer niveaus je moet bedienen in je les, hoe lastiger het is om instructie te geven. Het maakt je werk onnodig complex. Bovendien kan differentiatie in sommige gevallen de kansenongelijkheid vergroten (Denessen, 2017). 

Het EDI-lesmodel biedt een goede oplossing voor het effectief omgaan met verschillen, omdat het uitvoerbaar is in de dagelijkse lespraktijk en rekening houdt met verschillen zonder de gezamenlijkheid uit het oog te verliezen. Hiermee zijn zowel de leerkracht als de leerlingen beter af.

Literatuurverwijzingen